1. Welke voordelen van de fusie zijn aantoonbaar gebaseerd op onderzoek en welke zijn verwachtingen van de besturen?
2. Waarom is in de statuten niet vastgelegd dat de raad van toezicht als geheel aantoonbare expertise bevat op het gebied van speciaal onderwijs, primair onderwijs én voortgezet onderwijs, terwijl de nieuwe stichting al deze onderwijsvormen onder één bestuur brengt? En welke risico's brengt het ontbreken van deze kennis met zich mee?
3. Hoe is geregeld dat bij besluiten over beleid, organisatie en financiën voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van het gespecialiseerd onderwijs?
4. Is bij de keuze voor een bestuurlijke fusie meegewogen dat de gemeenteraad hierdoor geen rol meer heeft bij de benoeming van leden van de Raad van Toezicht?
5. Hoe wordt concreet geborgd dat kleine scholen en specifieke doelgroepen binnen de nieuwe organisatie voldoende aandacht blijven krijgen?
6. Verandert de bestuurlijke fusie iets in de wijze waarop middelen over onderwijssectoren worden verdeeld en verantwoord? Zo ja, hoe?
Antwoord
1. Welke voordelen van de fusie zijn aantoonbaar gebaseerd op onderzoek en welke zijn verwachtingen van de besturen?
De keuze voor de bestuurlijke fusie is niet uitsluitend gebaseerd op verwachtingen van de besturen. Voorafgaand aan het voorgenomen besluit is van januari 2024 tot september 2025 een verdiepend meerwaardeonderzoek uitgevoerd. Daarbij is gebruikgemaakt van dossier- en literatuuronderzoek en van panelgesprekken met onder meer GMR’en, staforganisaties en schooldirecteuren. Het doel daarvan was de mogelijke meerwaarde van bestuurlijke samenwerking zoveel mogelijk te objectiveren en zowel kansen als aandachtspunten in beeld te brengen. Daarnaast zijn een afzonderlijk financieel onderzoek en de evaluatie van de eerdere bestuurlijke fusie binnen VOMEO tussen Stad & Esch en CSG Dingstede betrokken bij de totstandkoming van de FER.
Uit deze onderzoeken kan onder meer worden geconcludeerd dat beide organisaties financieel gezond zijn en dat geen financiële risico’s zijn aangetroffen die een fusie in de weg staan. Ook is vastgesteld dat de besturingsfilosofieën en kernwaarden voldoende verenigbaar zijn. Verder ondersteunen de onderzoeken de verwachting dat bundeling van expertise kan bijdragen aan minder kwetsbare ondersteuning en aan grotere bestuurlijke en professionele slagkracht.
Een aantal andere voordelen heeft nadrukkelijk het karakter van beoogde effecten. Dat geldt bijvoorbeeld voor een betere aansluiting tussen PO en VO, sterkere doorgaande leerlijnen in het funderend onderwijs, vergroten van de kansengelijkheid, intensievere gezamenlijke professionalisering, efficiëntere ondersteuning en een sterkere duurzame positie van het gespecialiseerd onderwijs in relatie met inclusiever onderwijs. Voor deze effecten biedt het onderzoek aanknopingspunten en een inhoudelijke onderbouwing, maar zij kunnen voorafgaand aan de fusie niet als gerealiseerde voordelen worden aangemerkt.
Juist om het onderscheid tussen verwachtingen en daadwerkelijk gerealiseerde effecten zichtbaar te maken, voorziet de FER in een formele evaluatie na twee à drie jaar. Daarbij wordt beoordeeld in welke mate de vooraf geformuleerde fusiedoelen daadwerkelijk zijn bereikt.
2. Waarom is in de statuten niet vastgelegd dat de RvT als geheel aantoonbare expertise bevat op het gebied van speciaal onderwijs, PO én VO? Welke risico’s brengt het ontbreken daarvan mee?
De statuten zijn bewust ingericht op het niveau van governance, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Zij bevatten daarom niet voor ieder afzonderlijk onderwijsdomein een voorgeschreven deskundigheidseis voor de Raad van Toezicht. Het uitgangspunt is dat de RvT als collectief beschikt over de kennis, ervaring en competenties die nodig zijn om adequaat toezicht te houden op de volle breedte van de stichting.
De nadere invulling daarvan vindt plaats in het Handboek Governance en in het algemene profiel van de RvT en de profielen die bij vacatures en benoemingen worden gehanteerd. Daarin wordt geborgd dat binnen de raad aantoonbare kennis aanwezig is van de verschillende onderwijssectoren en onderwijsvormen waarvoor de stichting verantwoordelijk is, waaronder het gespecialiseerd onderwijs. Bij de vaststelling van de profielen zijn de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden betrokken vanuit de Wet Medezeggenschap Scholen (WMS).
Die borging is van belang. De nieuwe stichting omvat immers regulier PO, SBO, SO, VSO, openbaar VO en christelijk VO. Deze sectoren verschillen onder meer in bekostiging, wet- en regelgeving, leerlingpopulatie, regionale functie en ondersteuningsvraag. Wanneer binnen de RvT onvoldoende kennis van een van deze domeinen aanwezig zou zijn, bestaat het risico dat specifieke belangen, kansen en kwetsbaarheden onvoldoende worden herkend of meegewogen.
Dit geldt in het bijzonder voor het gespecialiseerd onderwijs. De FER benoemt de regionale functie daarvan nadrukkelijk en noemt het behoud en de versterking van SBO, SO, VSO, Eigen Weg en het Praktijk Onderwijs als één van de doelstellingen van de fusie. De keuze is daarom niet om deze deskundigheid achterwege te laten, maar om deze via het profiel en de samenstelling van de RvT te borgen in plaats van via gedetailleerde bepalingen in de statuten.
3. Hoe is geregeld dat bij besluiten over beleid, organisatie en financiën voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van het gespecialiseerd onderwijs?
De positie van het gespecialiseerd onderwijs wordt op verschillende niveaus geborgd.
Allereerst behoort gespecialiseerd onderwijs uitdrukkelijk tot de doelstelling en verantwoordelijkheid van de nieuwe stichting. De FER vermeldt expliciet dat het nieuwe bestuur kwalitatief hoogwaardig openbaar PO en VO, gespecialiseerd onderwijs – SBO, SO en VSO – en christelijk VO in stand houdt.
Daarnaast is het behoud en de versterking van het gespecialiseerd onderwijs in de regio één van de expliciete doelstellingen van de fusie. Het gespecialiseerd onderwijs is daarmee geen nevenactiviteit binnen de nieuwe stichting, maar onderdeel van de strategische opdracht van het bestuur.
Ook organisatorisch blijft de herkenbaarheid van de scholen behouden. Daar zijn BRIN-nummers van de scholen en licenties voor gespecialiseerd onderwijs voor afgegeven. De bestuurlijke fusie leidt op zichzelf niet tot samenvoeging van scholen of verandering van onderwijsaanbod, locaties, identiteit of pedagogisch-didactische uitgangspunten. Zeggenschap en medezeggenschap blijven zowel op schoolniveau als bovenschools georganiseerd.
Voor besluiten over strategisch beleid, organisatie en financiën gelden daarnaast de reguliere medezeggenschapsrechten. De verdere inrichting daarvan wordt geconcretiseerd in het medezeggenschapsstatuut, de medezeggenschapsreglementen, het bestuursreglement en de planning- en-controlcyclus.
De borging zit daarmee niet in één afzonderlijke bepaling, maar in een combinatie van statutaire en wettelijke opdracht, strategische doelstellingen, herkenbare positionering van de scholen, medezeggenschap en transparante bestuurlijke en financiële besluitvorming.
4. Is meegewogen dat de gemeenteraad hierdoor geen rol meer heeft bij de benoeming van leden van de RvT?
De positie van de gemeenten en de publieke waarborgen voor het openbaar onderwijs zijn onderdeel geweest van de juridische en bestuurlijke uitwerking van de fusie.
Daarbij is van belang dat de gemeenteraad ook in de huidige situatie bij VOMEO geen rol meer heeft bij de benoeming van leden van de Raad van Toezicht. Deze bevoegdheid is vervallen met de bestuurlijke fusie van Stad & Esch en Dingstede per 1 januari 2022, waarbij VOMEO een samenwerkingsstichting voor openbaar en bijzonder onderwijs is geworden. De voorgenomen fusie VOMEO–Promes ontneemt de gemeenteraad bij VOMEO dus geen bestaande benoemingsbevoegdheid. Bij Stichting Promes is dit wel het geval.
Dat betekent niet dat de publieke waarborgen voor het openbaar onderwijs helemaal verdwijnen. Deze zijn wettelijk en statutair op andere wijze geborgd. De gemeenten behouden nog steeds een deel van de wettelijke verantwoordelijkheden die zij ten aanzien van het openbaar onderwijs hebben.
5. Hoe wordt concreet geborgd dat kleine scholen en specifieke doelgroepen voldoende aandacht blijven krijgen?
Een belangrijk uitgangspunt van de fusie is dat de bestuurlijke schaal groter wordt, zonder dat daarmee automatisch de schaal van de afzonderlijke scholen wordt vergroot. De scholen blijven herkenbare onderwijsorganisaties. Onderwijsaanbod, locaties, identiteit en pedagogisch-didactische uitgangspunten veranderen niet als gevolg van de bestuurlijke fusie.
De FER benoemt bovendien expliciet het belang van de continuïteit en instandhouding van kleine scholen en besteedt daarbij onder meer aandacht aan de relatief kleine (en groeiende) scholen in Staphorst.
Daarnaast is de menselijke maat een belangrijk uitgangspunt voor de inrichting van de nieuwe organisatie. Medewerkers, leerlingen en ouders moeten zich in hun eigen school kunnen blijven herkennen. Verantwoordelijkheden en invloed worden daarom zoveel mogelijk dicht bij de onderwijspraktijk georganiseerd.
Voor specifieke doelgroepen geldt bovendien dat het behoud en de versterking van het gespecialiseerd onderwijs juist één van de expliciete fusiedoelen is. De regionale functie van SBO, SO en VSO wordt daarbij nadrukkelijk onderkend. Hetzelfde geldt voor onderwijs aan andere specifieke doelgroepen, waaronder nieuwkomers.
De borging bestaat daarmee uit een combinatie van behoud van herkenbare scholen en onderwijsvoorzieningen, schoolnabije verantwoordelijkheid en medezeggenschap, en expliciete strategische aandacht voor kleine scholen, gespecialiseerd onderwijs en specifieke doelgroepen.
De uiteindelijke toets is daarbij niet alleen wat vooraf wordt afgesproken, maar ook wat daarvan in de praktijk terechtkomt. Daarom dient bij de evaluatie van de fusie expliciet te worden bezien wat de effecten zijn geweest voor kleine scholen en specifieke doelgroepen.
6. Verandert de fusie iets in de wijze waarop middelen over onderwijssectoren worden verdeeld en verantwoord? Zo ja, hoe?
De fusie verandert niet de landelijke bekostigingssystematiek voor de verschillende onderwijssectoren. PO en VO kennen ieder hun eigen wettelijke bekostigingssystematiek en ook voor onderdelen van het gespecialiseerd onderwijs gelden specifieke bekostigings- en verantwoordingsregels. Die blijven na de fusiedatum van toepassing.
Ook blijft het uitgangspunt dat de beschikbare middelen zoveel mogelijk ten goede komen aan het onderwijs en aan de leerlingen voor wie zij zijn bedoeld. De fusie is niet opgezet met als primair doel financiële baten te realiseren.
Wat wel verandert, is dat er één bevoegd gezag ontstaat met één integrale begrotings- en verantwoordingscyclus. Daardoor ontstaat op bestuurlijk niveau een integraal beeld van de middelen, risico’s en beleidsprioriteiten van de gehele stichting. Binnen dat kader blijft inzichtelijk welke middelen beschikbaar zijn voor de verschillende scholen, onderwijssectoren en specifieke voorzieningen.
De interne allocatie van middelen wordt vastgelegd in het financiële beleid en de planning- en-controlcyclus. Daarbij moeten beleidsdoelen, beschikbare middelen en te realiseren resultaten aantoonbaar met elkaar worden verbonden. Dit maakt het mogelijk om integraal te sturen, maar vraagt tegelijkertijd om transparantie over de verdeling van middelen tussen PO, VO en gespecialiseerd onderwijs.
Het uitgangspunt uit de FER is daarbij dat zoveel mogelijk middelen beschikbaar blijven voor het primaire onderwijsproces. Het financieel onderzoek laat zien dat beide organisaties financieel gezond zijn en dat de fusie financieel verantwoord kan plaatsvinden. Mogelijke voordelen, zoals efficiëntere ondersteuning of schaalvoordelen, moeten daarom worden beschouwd als mogelijke toekomstige effecten en niet als vooraf ingeboekte financiële opbrengsten.